maandag 27 september 2010

Utrecht bij nachtlicht


De Uithof in ruste. Het is het zeldzame tijdstip in de vroege ochtend, waarop niemand meer thuis komt en bijna niemand op pad hoeft. Slechts de continu brandende lampen in de universiteitsgebouwen, doen vermoeden dat hier wordt geleefd. Vanaf de maan gezien, moet de bushalte op de Heidelberglaan nu een lichtgevende, levensloze vlek zijn. Zelfs de elektrische borden waarop normaal de vertrektijden van de bussen staan aangekondigd, hullen zich in zwijgend zwart.

Een meisje dat komt aangelopen, kijkt vertwijfeld om zich heen. Haar haren zijn nat, alsof ze net onder de douche vandaan komt. Haar gezicht vertelt dat ze liever nog in bed had gelegen. ‘Hier zou de eerste bus nu toch moeten vertrekken?’ Ze vraagt het aan niemand, mompelt net niet hardop.

Een moment later doemen de koplampen van bus 11 op uit de nacht. De chauffeur rijdt al bijna de halte voorbij, hij remt net op tijd. Het meisje stapt in en laat zich met een plof op de stoeltjes vallen. Ik volg snel haar voorbeeld, terwijl de chauffeur alweer optrekt. Nog voordat de bus de bocht door jaagt, slaapt het meisje al. Schommelend deint ze mee op het schudden van de bus, die in hoge versnelling door Utrecht rijdt. Mijn blik dwaalt uit het raam.

In het donker is de wereld anders.

De chique villawijk van Rijnsweerd is niet meer dan een zwarte, peilloze diepte, waar geen begin of einde aan te ontdekken is. Het donker doet de vijver bij het provinciehuis op een gebroken spiegel lijken, waar de verlichting van het gebouw naar alle kanten in weerkaatst. De oude herenhuizen in Wittevrouwen staan er duister en vervallen bij. Alsof het daglicht ze pas weer hun charme terug zal geven.

Wanneer de bus in snel tempo het Neude passeert, schrikt het meisje wakker. Buiten fietsen de eerste mensen voorbij. Vlak voor het Centraal Station haalt een man waaghalzerige capriolen uit, om zoveel mogelijk stoplichten te vermijden. Een fietser gaapt ongegeneerd voluit.

Zij haalt een hand door het nog klamme haar en wrijft de slaap uit haar ogen. Vantussen de opengaande deuren van de bus, zie ik haar verdwijnen in de drukte van het licht.

Hier was de dag al begonnen.

woensdag 30 juni 2010

Voldaan



Rekensom: 17 vakken, onderverdeeld in 14 tentamens en 12 werkgroepen. Een totaal van 44 becijferde opdrachten, aangevuld met twee oriëntatieweken. Plus een extra keuzevak, in studiepunten uitbetaalde lunches tijdens de klassenvertegenwoordigers vergaderingen en 19 keer Bonusprogramma. Totaal: 62.9 studiepunten, waarvan er 55 meetellen voor mijn propedeuse. Dat maakt net geen P, maar wel een Positief Studieadvies. En hoe dat voelt? Net niet voldaan.

Dag, SvJ. Tot volgend jaar!

woensdag 5 mei 2010

"Is voor de oorlog, hè mam?"

Hij zet het bord dat de veteranen hun plaats moet wijzen nog wat beter in zicht. “Zo, dat valt tenminste op!” De 83-jarige meneer de Bruin moet er zelf om lachen. “Ja, ik heb het overleefd en mijn humor heb ik ook nog”.

De Bruin is één van de veteranen die bij de Pieterskerk in Utrecht wachten tot de stille tocht, voorafgaand aan de dodenherdenking, begint. Samen met nabestaanden en andere geïnteresseerden zullen ze straks stilstaan bij de gebeurtenissen en slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Maar eerst is het tijd om oude bekenden te ontmoeten en bij te praten. Terwijl het op het verzamelpunt langzaam drukker wordt, kussen schuifelende veteranes elkaar voorzichtig op de wang en schudden vrolijke veteranen elkaar ter begroeting de hand. “Hee Jan, mooi pak heb je aan!” klinkt het, doelend op het uniform dat de aangesproken man draagt. Die grijnst. “Zoveel strepen heb jij niet hè?”

Tussen alle wachtenden doet de 4-jarige Pim een dansje om een pilaar. Hij klimt op een paaltje en lijkt in zijn kinderlijke onschuld geen idee te hebben waar hij voor komt. Maar schijn bedriegt. Als hij van zijn moeder een bloem krijgt, stopt hij zijn neus erin en merkt op: “hmm, ruikt lekker!”. Dan: “is voor de oorlog, hè mam?”. Omstanders lachen vertederd, totdat de klokken van de Pieterskerk beginnen te spelen. Het is het startsein van de stille tocht, die loopt vanaf de Pieterskerk tot aan de Dom.

De verzameling mensen die net nog lachend bij elkaar stond, vormt nu met serieuze gezichten een rij wandelaars die zich door de straten van Utrecht begeeft. Vier kerkklokken klinken van alle kanten, en op dat geluid na lijkt het voor een moment even echt stil in de Utrechtse binnenstad. Een voorbijkomende fietser die de tocht wil passeren, wordt door een agent met gebarentaal tot stoppen gemaand. Zo loopt men naar de Dom, waar het plein inmiddels volloopt.

Klokslag acht uur wordt bij het Vrijheidsbeeld de fakkel aangestoken, het symbool van leven. Trompetgeschal leidt de officiële twee minuten stilte in. Mensen staren voor zich uit, in gedachten verzonken. Wanneer het Wilhelmus een eind maakt aan de stilte, aarzelen sommigen even. Dan zingt het grootste deel van het publiek de twee coupletten van het volkslied mee. Mensen worden uitgenodigd voor het defilé en lopen met bloemen naar het monument.

Tussen de menigte loopt Pim, nu aan de hand van zijn moeder. Samen leggen ze zijn bloem neer bij het Vrijheidsbeeld. Om te herinneren: dat wat hij; noch zijn ouders hebben meegemaakt, maar wat wel zichtbaar indruk maakt.

dinsdag 30 maart 2010

Opdat wij niet vergeten

Uit de Utopiaansche Courant (1819)

Terwijl de dag wanneer onze Courant het licht ziet, niet kan bepaald worden, wegens de aankomst onzer belangrijke tijdingen; daar door nieuwe en telkens hogere tollen, de Post wordt vertraagd, en wij niet genoeg vrienden zijn met Burgemeesteren van Utopia, om ten voordele van onze Post, door hen eene onregtvaardigheid te zien bedrijven; - Zoo is het dat wij elk, wie geen twee, soms driemaal wil vergeefs loopen, uitnodigen om een adres op te geven, waar deze Courant, die wel zoo belangrijk is als de Amsterdamsche, kan franko worden bezorgd.

Is toch net even anders dan "klik hier voor een abonnement, betaal met Ideal"...

maandag 29 maart 2010

Dichtgetikt

Conclusie na zeven maanden School voor Journalistiek: die studie doe je niet zomaar, die dringt zich aan je op. Hij nestelt zich in je hoofd, verspreidt zich door botten, spieren en pezen. Geleidelijk neemt het je over, totdat je op een morgen wakker wordt en het gevoel hebt dat er geen weg meer terug is. Een hardnekkig virus dat uitmondt in een chronisch gevoel van sluimerend onbehagen en voorzichtige trots.

Het uit zich in alles.

In een gesprek over koetjes en kalfjes ontglipt je ineens dat de zojuist door je gesprekspartner uitgesproken zin wel een heel mooie kop voor een artikel zou zijn. Je kunt nergens meer rustig iets drinken, want de onbekende met wie je zojuist nog over het verschil tussen Heineken en Grolsch stond te discussiëren is een mogelijke aanvulling op je netwerk en dan moet je je niet belachelijk maken. Op twitter vraag je naar het gezinsleven van politici, omdat je als aankomend journalist nou eenmaal twittert met politici, omdat je nou eenmaal nog geen telefoonnummers hebt. Het journaal is niet meer gewoon het journaal, maar een informatiebron die automatisch beoordeeld wordt op betrouwbaarheid, laatste feiten en inhoud. En voor je gaat slapen zit het vervolgverhaal op dat item al in je hoofd. Je zult het niet schrijven, maar je bent journalist.

Bij studentenverenigingen kent men een soortgelijke ziekte. Daar zullen ze zich nooit wagen aan het twitteren met politici (zij hebben de telefoonnummers wel), de symptomen zijn anders. Maar het syndroom lijkt hetzelfde. De slimme mensen bij studentenverenigingen hebben daar een naam voor.

Dichtgetikt.

Dichtgetikt zijn houdt in dat je het over niets anders kunt hebben dan over je studentenvereniging en het wereldje er omheen. Een studentikoze term die binnen de journalistiek niet misstaat. Het gros van de (aankomend) journalisten zal dit vergelijk vast ontkennen, tenslotte zijn studentenverenigingen zo’n beetje het Sodom en Gomorra in het Heilige Boek der Journalistiek. Leden van Verenigingen zullen het vergelijk ook niet waarderen, in dat Heilige Boek zijn journalisten niet veel meer dan rokende, drinkende, verleptelingen. Maar ik proef een overeenkomst. In ieder geval bij mezelf.

Het wordt dus tijd voor iets anders. Het wordt tijd voor een hobby.

zaterdag 27 februari 2010

Sauerbreij wint, de NOS faalt.

Historisch goud vanavond. Niet bij het schaatsen, maar voor snowboardster Nicolien Sauerbreij die voor de derde keer meedeed aan de Olympische Spelen. Tot dusver was haar beste prestatie een 12e plek in Turijn, maar dit jaar gold ze als één van de favorieten voor een medaille. Die verwachtingen maakte ze meer dan waar. Voor het eerst in de geschiedenis is er een Nederlandse medaille op de winterspelen die niet op het ijs is behaald. Reden genoeg voor de NOS om hier uitgebreid aandacht aan te besteden, zou je denken. Maar nee. Waar Sauerbreij fantastisch aan het snowboarden was, moesten NOS kijkers het doen met falende schaatsers die op de ploegenachtervolging hún verwachtingen bij lange na niet waarmaakten. De kwalificatiewedstrijden van Sauerbreij werden met vertraging uitgezonden, omdat de ritten op de ploegenachtervolging tussen buitenlandse schaatsploegen voorrang kregen. Met trots werd gemeld dat de finale van de reuzenslalom wel live uitgezonden zou worden, alsof de NOS voor die beslissing eigenlijk zelf een gouden medaille wilde ontvangen.

Tussen de verliezende Nederlandse schaatsers en Svenvouver reclames door gebeurde er op Cypress Mountain iets heel bijzonders. Nicolien Sauerbreij won er de finale, en de NOS was erbij. Voor even. Want terwijl de uitslag van het snowboarden nog maar net bekend was, schakelde de NOS alweer terug naar Ria en Mart, die hun treurige blikken richtten op de troosteloze ploegenachtervolging. “De wereld draait door”, aldus Mart.

Mart had het mis. Niet de wereld, maar de NOS draaide door. Op Cypress Mountain stond de wereld heel even stil. En dat had de NOS ook moeten doen. Stilstaan bij de vrouw die de meest historische gouden medaille in de geschiedenis van de Olympische Spelen voor Nederland haalde.

Gemiste kans? Noem het maar een gemiste buitenbaan tijdens de wedstrijd van je leven. Dat snappen ze bij de NOS misschien wel.

woensdag 10 februari 2010

Winterkamp

De klimaatconferentie die zou plaatsvinden is afgelast. Er is een moord gepleegd. De sneeuwpop is in koelen bloede aangetroffen. Twintig vingerafdrukken zijn gevonden op de bijl die uit zijn buik steekt.
~
Een pan op het vuur verspreidt onze eetlust. We schuiven dichter naar de warmte wanneer acht lagen kleding ook niet blijken te voldoen. Iemand trekt zijn laarzen uit, droogt zijn sokken aan het vuur waar net de pan nog stond te pruttelen.
~
Pingu spreekt zijn pinguïn taal. Het zal wel iets met de sneeuwpop van doen hebben. Camiel Eurlings lobbyt voor sneeuwvrije wegen, maar wie Limburgs praat pleit zich van alles vrij.
~
Het klinkt van sissend vuur en ploppend bier. Een jas gaat uit, het lijkt ineens zo koud niet meer. We rollen ons in klamme slaapzakken, voelen het puntje van onze neus bevriezen.
~
Prins Bernhard en Marianne Thieme ontkennen iets met de moord van doen te hebben. Er komt een krokodil voorbij, maar Steve Irwin ontfermt zich er al over.
~
De sauna geeft verwarming. Stenen gloeien damp, een enkeling produceert de enige zweetdruppels die we dit weekend zullen ervaren.
~
Er zijn zombies gesignaleerd op de hei. Wie drie trompetsignalen lang in leven blijft zal voor eeuwig zegevieren. Koopmannen voorzien ons van voedsel en drank.
~
Met meerderheid van stemmen wordt Pingu beschuldigd van de sneeuwpopmoord. Verhanging is zijn lot.
~
Tegenpolen vinden elkaar. Wie min was is een plus geworden, of net andersom. We stropen onze tenten af, stapelen restjes hout bij restjes ander hout en doven het vuur.
~
Vanuit een boom kijkt een pinguïn toe die weet: die gedanken sind frei.